1. Flamingo’s

Ab Loots, ‘Zelfportret’ (jaartal niet vermeld)

Collectie
Frans Hals Museum, Haarlem
Nu te zien op zaal:Nee
Materiaal en techniek:  olieverf op doek
Afmeting:   64 x 55,5 cm
Inventarisnummer: mschbk 50-112 a


1

Die Haarlemse wieg van mij stond in een fraai hoekhuis aan de Eerste Emmastraat, waar tot voor kort Wubben & Wolffram Belastingadviseurs B.V. was gevestigd. Aan de overkant van de Leidsevaart torent inderdaad de kathedrale basiliek St. Bavo boven de omringende straatjes uit, waar ik ben gedoopt en gevormd. Een paar honderd meter van mijn geboortehuis staat de Cruquiusschool; Joost Pollmann zat er in de klas met Joost Hiltermann en Joost Dankelman. Als je in de juiste stemming bent, zie je overal parodieën… Een half jaar nadat mijn vader als vermist werd opgegeven is in de Bavo een spookdienst gehouden, dat wil zeggen: een dodenmis zonder dode. Een toneelstuk. Op het adres waar ik het levenslicht zag, zit nu Wax Shop en Schoonheidssalon Dream Beauty. Hier vinden “ze het heerlijk om jou helemaal in de watten te leggen. Boek een huidverbeterende behandeling of een heerlijke massage.”


Anti-trauma

Ik heb aan mijn kleuterschooljaren maar twee herinneringen overgehouden. De eerste gaat over geurige mandarijntjes en het branden van kaarsjes, iets met kerst dus, de tweede is grimmiger. In de winter van 1963 was het stervenskoud: zelfs de zee bevroor! Omdat veel vogels dreigden te verhongeren, moesten wij van thuis broodkorstjes mee naar school nemen. Ze belandden in hele grote zakken, die met een legertruck uit de nabijgelegen Ripperdakazerne werden opgehaald. Dat betekende ook dat de eerste soldaten die ik in mijn leven zag, bezig waren met het redden van de eendjes! Je kunt dat een ‘anti-trauma’ noemen. Inmiddels is de kazerne omgebouwd tot wooncomplex en in het vroegere foeragegebouw zit nu kinderdagverblijf  ‘Op Stoom’.

2. Sint Jaap

Het verhaal ‘Sint Jaap’ is voorgepubliceerd in het Haarlems Dagblad van 4 december 2017, met de bijbehorende tekening van Paul van der Steen. Via de sociale media kwamen er medelevende resp. medelijdende reacties:

– Naar verhaal, prachtig geschreven en fantastische tekening! Zijn nare ervaringen toch nog ergens goed voor!

– Ieder kind heeft zo zijn initiatie, deze was wel heel erg en vroeg.

– Mooi verhaal, ik geloof dat ik me altijd gedekt heb weten te houden. Trauma is mij dus bespaard gebleven. Het mag nog een wonder heten dat jij met jouw ‘belevenissen’ nog tot lezingen voor uiteenlopende publieken in staat bent.

– Jezus. Wat afgrijselijk. En wat weet je het levendig te schilderen, Joost. De rillingen lopen over mijn rug.

– Prachtig geschreven, dat wel! Maar tragisch.

– Wat een afschuwelijke nachtmerrie.

– Maar nu leest u lezingen alsof het nix is!

– Jezus Joost. En nu toch lezingen. Enfin, je kent vast het gezegde: ‘Hij die zichzelf overwint is sterker dan hij die een stad inneemt’.

– Lekker treurig verhaal.

3. Het laatste sacrament

‘Het Laatste Sacrament’ is in 2016 gepubliceerd in het Tijdschrift voor biografie, jaargang 5, nr. 1, samen met een illustratie van Paul van der Steen.

Dat onze familie ‘gewoon’ uit Nordrhein-Westfalen stamt, wordt mooi geïllustreerd door de website van Pollmann Flugreisen uit het Duitse plaatsje Straelen nabij Venlo.

“Urlaubsträume und Ferienwünsche verwirklichen, in Andalusien, in Asien oder weltweit. Egal ob Sie eine Andalusien-Rundreise, ein Strand Hotel in Vietnam, ein Stadt Hotel in Hongkong, Inselhüpfen auf den Philippinen oder eine Flusskreuzfahrt auf dem Mekong in Laos unternehmen möchten, Pollmann Flugreisen hat das richtige Angebot. Alles Preiswert, individuell und zuverlässig.” Goedkoop, persoonlijk en betrouwbaar, jazeker.

(www.pollmannflug.de)

4. Land der Tausend Berge

‘Land der Tausend Berge’, 1941.

5. Non-fictie

‘De Ursulinen van Bergen vormen een tak van de Mericiaanse geestelijke familie: alle gemeenschappen van wie de geschiedenis teruggaat op Angela Merici, de vrouw die in 1535 in het Italiaanse Brescia een aan God gewijd gezelschap stichtte. Zij noemde haar gezelschap naar de Heilige Ursula. Vandaar onze naam: Ursulinen. In de hele wereld zijn gemeenschappen van vrouwen te vinden die in deze traditie staan. Velen daarvan zijn verenigd tot een internationale gemeenschap: de Ursulinen van de Romeinse Unie. De Ursulinen van Bergen zijn een zelfstandige congregatie.’

 

Links: mijn moeder ontvangt haar geloofsbrieven. Rechts: een weinig bekend, vroom prentje van mijn broer.


Begin jaren vijftig speelde Toneelfonds Kinheim uit Beverwijk het stuk ‘Tramlijn Begeerte’ van Tennessee Williams, in een vertaling van mijn moeder Tine Vroom. Zowel op het covertje als op het titelblad staat echter brutaalweg: Nederlandse vertaling Joop Pollmann. Dat zou je nu diefstal van geestelijk eigendom noemen.

6. De schuldige

Een stukje hel in Hellevoetsluis

Wie geen auto heeft, moet er wat voor over hebben om Historyland te bereiken. Reis met de trein naar Zuid-Holland. Neem vanaf Rotterdam Centraal metrolijn D naar De Akkers en boemel langs veertien haltes richting Spijkenisse. Pak aldaar bus 101 met bestemming de A.I. Laan, om bij bushalte Kickersbloem over te stappen op de 102. Vraag aan de bestuurster – in deze contreien zijn alle chauffeurs vrouw – of ze je wil droppen in de Uniceflaan, waar een allerlaatste flatgebouw zich stoer houdt. Iets verderop, tussen winderige weilanden aan de stadsgrens van Hellevoetsluis, stuit je op een paar onwaarschijnlijke objecten. Op het erf van museum annex themapark Historyland (‘Van toen naar nu, van jong naar oud’) staan replica’s van dinosaurussen, een Playmobil-achtige kasteeltoren en een heuse straaljager, een MIG2. Je kunt er ook ‘historygolf’ spelen, lees ik later in de folder. Op weg naar de ingang passeer je plastic paarden en een plastic neushoorn, en in de hal staat een beeld van Napoleon. Kunststof. Het doel van mijn reis is echter de gehoorzaal, waar de Poolse ambassadeur Marcin Czepelak onlangs de tentoonstelling ‘Memory – Labyrinths’ heeft geopend. Hier wordt op 22 grote panelen een indruk gegeven van het apocalyptische werk van Marian Kołodziej (1921-2009), die Auschwitz, Buchenwald en Mauthausen overleefde.

In mei 1940 werd Kołodziej in Krakau door de Gestapo gearresteerd omdat hij lid was van de verzetsbeweging Verbond van de Gewapende Strijd. Hij belandde als nummer 432 in Auschwitz, maar het zou een halve eeuw duren voor hij in staat was zijn trauma’s te veruitwendigen. Kołodziej werkte na de oorlog als decorontwerper bij het Kunsttheater in Gdansk en begon pas in 1993, nadat hij door een hersenbloeding deels verlamd was geraakt, met het op papier zetten van zijn helse herinneringen. In vijf jaar tijd maakte hij zo’n tweehonderd grote tekeningen, met potlood en een ragfijne pen (maar wat voor pen en op wat voor papier?), die nu permanent worden tentoongesteld in het klooster Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen in de Poolse stad Harmęże. Dat wil zeggen: op 5 kilometer afstand van Oświęcim aka Auschwitz.

“Dit is geen kunst, geen schilderij. Het zijn verborgen woorden in een tekening,” heeft Kołodziej over zijn werk gezegd. Hij verwijst daarin naar de apocalyptische ruiters van Albrecht Dürer en de uitgemergelde Christus van Matthias Grünewald, maar hij is niet bezig met esthetiek en kunsthistorie. Kołodziej is een outsider artist die ‘iets moest’ met de verschrikkingen die hij jarenlang om zich heen heeft gezien. Als je naar de titels van zijn tekeningen kijkt, weet je al bijna genoeg: ‘Tod Macht Frei’, ‘Apotheosis of Death’, ‘Smoke of Birkenau’. Hij tekent doodshoofden, skeletten, Kapo’s en gevangenen in wervelende composities waarin steeds weer het nummer 432 opdoemt. Het gezicht dat hij op de magere lijven tekent is vaak zijn eigen gezicht. Een element dat ook meermalen terugkeert is het kamporkest, dat de dodendansen op manische wijze begeleidt. Kołodziej’s oeuvre: niet geschikt voor kinderen.

De eigenaar van Historyland in Hellevoetsluis is de zwaarlijvige ‘bandenkoning’ Arie van den Ban, wiens vermogen door Quote is geschat op 57 miljoen euro. Hij is al enige tijd met pensioen, maar was mede-eigenaar van autobandenbedrijf Sandean – op een steenworp van Historyland in het nabijgelegen bedrijvenpark – en studeerde uit liefhebberij geschiedenis. Van zijn hobby maakte hij vervolgens iets museum-achtigs, waar hij regelmatig lezingen geeft over ‘De Oranjes’. Arie van den Ban is bevriend met ene Teo Veerman, die al 23 jaar is getrouwd met een Poolse en Polen op zijn duimpje kent. Zegt hij zelf. Via via zijn tenslotte fragmenten uit de hel van Marian Kołodziej in Historyland terechtgekomen, pal naast een tentoonstelling over mammoeten voor de jeugd. Veerman is een zestiger met het hoofd van een ouwe rocker. Hij trekt met zijn rechterbeen en heeft een paar getypte velletjes bij zich: elke keer dat ik hem iets over Kołodziej vraag, spiekt hij op z’n briefje. Met welke materialen de Pool zijn apocalypse getekend heeft, weet Veerman niet.

De presentatie is pover: originele tekeningen zijn in Historyland niet te zien, het betreft louter fotografische reproducties die allemaal zijn ondertekend door Stanislaw en Piotr Markowski. Sommige platen staan op houten schragen, de rest hangt aan de muur. Om een stemmige sfeer te creëren zijn grijze doeken over de verwarming gehangen en keien neergelegd, die verwijzen naar de Joodse gewoonte om steentjes op een graf achter te laten. In de gehoorzaal zijn alle stoelen blijven staan, wat de tentoonstelling iets onverschilligs geeft: Auschwitz, Buchenwald en Mauthausen, okay, maar we gaan niet met het meubilair sjouwen. De bijschriften bevatten curieuze fouten. Zo zou de Tweede Wereldoorlog in 1039 zijn begonnen, en Kolodziej zou al in 1955 tekeningen hebben tentoongesteld, terwijl zijn brein toen nog alles op alles zette om de gruwelen te verdringen. Er is in Historyland een boekje verkrijgbaar waarin enkele van de kunstwerken zijn afgebeeld, maar door een fout van de drukker is de tekst lichtgrijs geworden en alleen leesbaar in de zon.

Met twee bussen, veertien metrohaltes, trein en fiets terug naar Haarlem. Bij thuiskomst verwerk ik mijn bevindingen in een artikel. Hiervoor blijkt de Volkskrant-redactie geen belangstelling te hebben, wegens ‘te obscuur’, waarna ik het verhaal dan maar op Facebook zet. Geïllustreerd met ‘Het Laatste Oordeel’ van Marian Kołodziej, waarop een dikke, naakte Kapo de doodsklok luidt (de klepel is een schedel) bovenop een stapel lijken-in-wording.

Mijn post werd door negen mensen geliked. Er was één commentaar, geschreven door stripmaker Willem Ritstier: “Vorig jaar ben ik daar geweest. Vond het enorm meevallen qua opzet. Eigenlijk had ik er niet veel van verwacht, maar het is er heel leuk voor jong en oud.”

5 februari 2018

7. Razende reporter

Egon Erwin Kisch schreef: ‘Niets is zo verbluffend als de simpele waarheid, zo exotisch als onze omgeving, zo fantastisch als de zakelijkheid. Er is niets ter wereld zo sensationeel als de tijd waarin wij leven.’

Een treffend voorbeeld van mijn ‘douaneblik’, waar vooral de geüniformeerde medemens gevoelig voor is.


Een ongezellige autist

Na de middelbare school wilde ik niet nog eens vijf jaar studeren, maar vrij zijn. Vrij, met een hoofdletter. Ik ging dus meteen aan het werk, als vertaler. Terwijl mijn ex-klasgenoten op het strand lagen, zat ik thuis op een hete zolder een Duits boek te übersetzen over Atlantis, het ondergelopen paradijs. Na twee jaar had ik genoeg van het bestaan als woordenkoelie en belandde ik bij de VNU op een interne opleiding – alsnog – voor aspirant-journalisten. Er waren slechts zeven studenten en we werden in een paar weken klaargestoomd voor de wereld van het ‘publiekstijdschrift’. Men gaf mij een plek op de tekstredactie van Libelle. Ik werd koppensneller en mijn allereerste vondst was “Gaaf geschaafd en rap geraspt”, bij een artikel over handige keukenspulletjes.

Soms mocht ik zelf een stuk schrijven. Libelle liet in die tijd droomwensen van lezeressen uitkomen en in dat verband werd ik als beginnend reporter naar Artis gestuurd, waar de zesjarige autist Erik een dagje met zijn moeder zou doorbrengen. Vanwege zijn bijzondere relatie met insecten doop ik hem Erik Pinksterblom, met dank aan Bomans. Ik werd geacht een verslag te maken waarin de onbetaalbare droomwens (een hele dag in de dierentuin!) Libelle-waardig en dus gezellig uit de verf zou komen. Samen met fotograaf Frans Verpoorten liep ik achter Erik en zijn moeder aan, maar niet om naar giraffen, pinguïns en picassovissen te kijken. Onze jonge onderzoeker had veel meer belangstelling voor afvoerputjes in de bestrating en thermometers in de kooien. Als het niet mechanisch was, interesseerde het hem niet, krokodillen en kamelen konden hem gestolen worden. In het Reptielenhuis beleefde autistische Erik daarom zijn hoogtepunt. Geroutineerd bestudeerde hij de leidingen achter de reuzenschildpadden, tot iets anders zijn aandacht trok. Hij begon hoge, paniekerige keelklanken uit te stoten en keek wild om zich heen, van links naar rechts, en vooral naar boven. Toen maaide hij door de lucht, hij had iets te pakken. Nieuwsgierig kwamen we dichterbij: uit zijn samengeknepen knuistje kwamen krioelende tentakels tevoorschijn. Pootjes van de roodbruine Periplaneta americana oftewel de Amerikaanse kakkerlak, die gewoon in het Reptielenhuis rondvliegt. “Deze kakkerlaksoort houdt van warme plekken met een hoge luchtvochtigheid.” Erik wilde het ongedierte niet meer loslaten en ving met zijn vrije handje zelfs een tweede exemplaar, terwijl hij een indringend gepiep voortbracht. De moeder wist wat haar te doen stond. Uit haar tas pakte ze een plastic broodtrommel, nam de sneetjes eruit en gaf het lege ding aan Erik, die er meteen zijn buit in stopte. Daarna ging hij op jacht naar nieuwe insecten, diepgelukkig: een droom was uitgekomen. Later kreeg ik een bedankbrief van de moeder, die schreef dat de kakkerlakken het goed maakten en zelfs kleintjes hadden gekregen.

Maar ook voor haarzelf ging een wens  in vervulling. Na alle opwinding leunde Erik met zijn schouder tegen het grote glas waarachter een boa constrictor lag en staarde voor zich uit. Tegenover hem stond Frans Verpoorten onafgebroken foto’s van Eriks gezicht te maken. Binnenin de lens draaide het diafragma in elkaar en uit elkaar, als een bewegend reptielenoog loerde het naar Erik. En Erik keek terug. Erik keek de camera aan. Later, toen de fotograaf zijn afdrukken terugzag, was het net of de autist rechtstreeks oogcontact maakte! Erik Pinksterblom, die zijn eigen moeder nog nooit had aangekeken, deed dat nu wel, en zijn blik was vereeuwigd op fotopapier.

Ik had stof voor een schitterend artikel en schreef nauwgezet op wat er in Artis was gebeurd. Een verhaal dat voor zichzelf sprak, dacht ik. Maar ik had iets belangrijks vergeten: de gezelligheid. Mijn rapportage bleek te neutraal. Libelle eiste ontroering, de lezeres koopt immers emotie? Ik weigerde een letter aan mijn stuk te veranderen, omdat ongezelligheid en autisme bij elkaar horen en ik niet van zins was om de geestesgesteldheid van Erik Pinksterblom te verkitschen. Die bokkigheid was op de burelen van het vrouwenblad iets ongekends: de chefredactrice begon te huilen. Ik hield echter voet bij stuk – principieel ettertje dat ik was – en er werd een compromis gevonden. Een collega kwam zich bij mij verontschuldigen voor haar knieval en maakte van de kakkerlakkendroom toch nog iets gezelligs. Overigens: ook de libelle is een insect, eentje met stevige kaken.


8. Een zee van snot

MIST

De blik boort moeilijk door de ruimte henen,
En ziet niet, wat zich hier of daar bevindt:
De duizend loov’ren van de heesters weenen,
En ’t is, of elke traan weer nieuwen wint.–

 De zon, die stralen aan het luwtje bindt,
Schept alle tranen om tot edelsteenen….
En lucht en bosch en berg herkrijgt zijn tint:
De damp wolkt op, en ’t landschap is verschenen.

Zóo schemert, als de ziel op raadslen peinst,
En voor de duisternis dier raadslen deinst,
Ons de gedachte, waar geen licht wil schijnen.

O, denkend hoofd, in uw gepeins verward!
Het schoone denkbeeld wortelt in het hart:
Voor ’t liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!–

Zo zag mijn ex-libris er uit in de jaren tachtig. Het tekstfragment komt uit gedicht XXXV van ‘Mathilde – Een sonnettenkrans in vier boeken, geschreven door Jacques Perk:

9. De zucht van de moor

Boabdil

Erratum: in het Spaans schrijf je Suspiro en niet Sospiro del Moro. De naam van deze bergpas verwijst naar Mohammed XII Abu Abdallah (1459 – 1533), de laatste Moorse koning uit de Nasriden-dynastie van het Koninkrijk Granada. Zijn bijnaam was Boabdil, al werd hij ook El Chico (‘de kleine’) of El Zogoybi (‘de ongelukkige’) genoemd. Need we say more? Aangespoord door zijn moeder stootte Boabdil zijn vader van de troon, maar veel stelde dit machtsvertoon niet voor. In 1492, het jaar dat Amerika werd ontdekt, droeg hij Granada over aan de katholieke koningen, die prompt een christelijke vlag op Alhambra lieten wapperen. De legende wil dat de verbannen Boabdil vanaf een bergtop nog één keer omkeek naar de schitterende stad die hij had verkwanseld. Waarop zijn moeder Ayesha hem zou hebben toegesist: “Ween als een vrouw om wat je als man niet kon verdedigen.”

In 1915 verscheen bij uitgeverij Van Holkema & Warendorf het boek ‘De ongelukkige’ van Louis Couperus over deze schertsfiguur. Couperus beschrijft de dramatische slotscène natuurlijk veel mooier. Toen Boabdil ‘omzag’ naar Granada, viel hij neer ‘in een diepe, diepe duizel van radeloosheid’. Wanneer hij begint te huilen, zegt zijn moeder: “Ween, riep zij uit, hard. Snik, als een vrouw, jij, die niet als een man verdedigen kon je stad en je land!!” ‘Hij schudde, toestemmend het hoofd. Hij snikte, hij snikte door: zo snikte hij voor het eerst in zijn leven. Voor het eerst, durend heel zijn Ongeluk. Hij snikte, hij snikte door…’

(Zie blz. 300 in deel IX van het Verzameld Werk, uitgeverij G.A. van Oorschot)

Schilderij van de Franse oriëntalist Edmé-Alexis-Alfred Dehodencq

10. Stratego

De Waarheid

Buiten dit ontruimingsavontuur zijn Peter en ik nog een keer samen politiek correct geweest. Halverwege de jaren ’80 schreef ik enkele stukken voor De Waarheid, het partijorgaan van de CPN (Communistische Partij Nederland). Een van de kunstenaars die ik hiervoor interviewde was Peter Pontiac-Pollmann, toen 35 jaar oud, ter gelegenheid van het feit dat stripantiquariaat Lambiek in Amsterdam werd uitgebreid met een galerie. Mijn broer zei toen: “Ik heb geen zin meer om me ten dienste te stellen van het hedonisme, het najagen van genot.” Hij wilde op zoek naar de waarheid: “Niet naar neurotische, op tijdelijkheden gefixeerde zaken, niet naar eigen lustbevrediging. Je hebt de keuze het leven te zien als een magisch spel of als een banale opeenvolging van dagen. Ik zie er het liefst een gecompliceerde choreografie in.”

Deze uitspraken, waarvoor hij zich later wegens de morele pretentie nogal geneerde, zijn volledig consistent met wat hij dertig jaar later zei in een interview met Sara Berkeljon voor de Volkskrant. Ik citeerde daaruit in mijn intermezzo ‘De dood als vriend’ in het postuum verschenen Styx, of: de zesplankenkoorts. Pontiac: “Je kunt je leven als plezierig ervaren, maar je leeft niet vóór je plezier. […] Ik weiger het leven te zien als een biologische grap. En ik erger me er aan dat alles maar leuk moet zijn. Veel mensen zijn tot in hun merg verpest, die zien het leven als een groot pretpark.”

Een jaar na de Val van de Muur is De Waarheid opgeheven.

11. Oinks in Aspic

In ‘Styx, of: de zesplankenkoorts’ van Peter Pontiac zijn zeven bladzijden gewijd aan de blog die Felix bijhield over zijn levertransplantatie in het Dijkzigt Ziekenhuis. 


Het omslagje van ‘Geknorr In De Ruimte’ is ontworpen door Paul C. Pollmann, die een kleine 30 jaar later ook de cover van ‘Schertsfiguur’ heeft vormgegeven. Hierbij een van de gedichten ik aan de bundel heb bijgedragen: een ode aan de vleeskleur.

Spectrum

Het palet smeert zich vol
zinkwit, napelsgeel, omber,
gebrande siena, oedeem,
kraplak, hansaplast, panty,
shocking pink, crabsticks,
gravel, Bretons basalt,
kaasdoek, bloedarmoede, couperose,
krijt, split beavers,
pancake met rinse appelstroop,
de wondere wereld van het diepvriesvak,
waarin ik tussen mortadella,
fricandeau en achterham
ook nog Bacon, Rubens
en de biefstuk van Soutine aantref.

Het mes erin, stelletje kwasten!

12. Zwartwit

‘Oud-topvoetballer Weah moet messiasstatus als president waarmaken’

“Het was een bekende omgeving voor George Weah, de nieuwe president van Liberia: een afgeladen voetbalstadion vol uitzinnig juichende landgenoten. Vandaag werd de voormalig wereldvoetballer van het jaar ingezworen als de nieuwe leider van het in de jaren ’90 door burgeroorlogen verscheurde land. Zijn aanhangers hebben hem de status van verlosser gegeven.”

Bron: nos.nl op maandag 22 januari 2018.


Ballotage

De Koninklijke Haarlemsche Football Club is opgericht in 1879 en daarmee de oudste voetbalvereniging van Nederland, al wordt dit heroïsche geboortejaar tegenwoordig betwist. Je vindt de velden van HFC aan de Spanjaardslaan, tegenover de Hout waar Beets’ Nurks onaangenaam liep te zijn. Gek genoeg bestond er binnen de gemeentegrenzen nóg een HFC, zonder het predicaat ‘koninklijk’, waar tot 2010 betaald voetbal werd gespeeld. In dat jaar ging de club failliet en sindsdien staat de tribune er met zijn rode en blauwe plastic stoeltjes verlaten bij. Pal erachter ligt het Noordersportpark dat eveneens literaire trekjes heeft, omdat het geflankeerd wordt door de Schrijversbuurt. Er is onder meer een Harry Mulischstraat, al had Harry een hekel aan Haarlem.

Begin jaren zeventig besloot ik lid te worden van de Koninklijke HFC, samen met de buurjongens Johan en Mindert. Ook Thijs, die zich in rooskleuriger tijden zou manifesteren als veelgevraagd bassist, wilde meedoen. We moesten nog wel even door de ballotage. Op een zaterdagochtend reden mijn vader en ik naar het clubhuis, waar drie corpsknapen achter een tafel met groen laken zaten. Dasje, jasje, arrogant. De enige vraag die ze wilden stellen maar niet mochten stellen, was: hoeveel verdient u? Het drietal speelde rechtbankje, met mijn vader als verdachte. Tussen de regels door lazen ze blijkbaar toch wat op het loonstrookje stond, want ik werd tot de elite toegelaten. De buurjongens ook, als zoons van een ingenieur bij de Octrooiraad, maar Thijs had pech: zijn vader was vrachtwagenchauffeur, een maatschappelijke status die niet strookte met die van de club. Hij mocht naar de concurrent aan de Planetenlaan in Haarlem-Noord. Hebben wij uit solidariteit het lidmaatschap geweigerd? Ik ben bang van niet.

Bij de Koninklijke HFC werden jongetjes als ik eerst ingedeeld bij de ‘Onderlinge’ en hoefden nog niet tegen andere clubs te spelen. Om de eigen teams van elkaar te kunnen onderscheiden, werden ze genoemd naar grote namen uit de internationale competities. Vandaar dat ik startte als midvoor in Benfica en een jaar later rechtsback was in Tottenham Hutspot. Vanaf mijn elfde begon het echte werk: de confrontatie met de buitenwereld. Als ik met mijn sporttas (wit kroontje op een donkerblauwe ondergrond) over straat fietste, werd ik nageroepen en uitgemaakt voor ‘kakker’. Er zijn zelfs stenen naar mij gegooid, dus ik voelde mij een beetje martelaar voor de club waar het Eerste Elftal werd aangemoedigd met het toen al belachelijke: “Druk ‘n punt!” Een andere pijniging wachtte thuis, want mijn vader had niets met sport en hield zijn dédain voor zoiets burgerlijks of arbeideristisch als achter een bal aanhollen niet voor zich. In de vijf jaar dat ik bij de kakclub voetbalde is hij één keer wezen kijken, achter  het hek aan de Zuiderhoutlaan, precies op het moment dat ik per ongeluk een tegenspeler onderuit haalde: in de achtervolging raakten mijn schoenen (goedkope van Quick) de zijne (dure van Puma). Van het clubbestuur kreeg ik een reprimande wegens onsportief gedrag, maar mijn vader complimenteerde mij met wat hij abusievelijk aanzag voor gemeenheid.

Niet lang daarna switchte ik naar een ander soort bal. Ik meet 1.76 m en dat is in ons slungelland niet bijster veel. Om misschien masochistische redenen ging ik in mijn tienerjaren op basketbal, de sport van lange mannen bij uitstek, en speelde als guard bij Levi’s Flamingo’s. Het seniorenteam van deze club werd Nederlands kampioen in 1971, 1972 en 1973, mede dankzij de zwarte Amerikaan Hank Smith (2.02 m) die onze juniorenploeg trainde  in een gymlokaal van het Coornhert Lyceum. Hij noemde mij curly. In die tijd had ik het meeste haar van Haarlem, een donkerblonde berg krulletjes die ooit in brand is gevlogen toen de vlam van mijn aansteker omhoog schoot; ik doofde het vuur met mijn handen en je zag geen enkel verschil in haarvolume. Later zakte deze afro door zijn eigen gewicht in elkaar, wat klasgenoten inspireerde tot het bedenken van een nieuwe bijnaam: pannenkoek. Mijn hoogte was enkele centimeters gedaald.

Uit: Leidsch Dagblad, 6 juni 1998

13. Over en uit

Özlem Ipek

Altijd als ik in Dalyan was, huurde ik een (gammele) fiets om de toeristische hectiek achter mij te laten en alleen te kunnen zijn met hitte en cicaden. Op één van mijn tochten vond ik rechts van de weg, aan de rand van een pijnbomenbos, drie weggegooide schoolboeken. Afkomstig van de leerlinge Özlem Ipek, getuige een stickertje op het boek ‘Le livre des bêtes’ uit 1977, met daarop onder meer een tekening van een metselende big. Als je deze naam intikt op Google Afbeeldingen, krijg je alleen foto’s van vrouwen te zien. Vandaar: leerlinge. Het tweede boek is ‘Islam Tarihi’ uit 1995, een geschiedenis van de islam, bar slecht gedrukt en hartstochtelijk bekrast met blauwe balpen. En dan is er nog ‘Giyim’ uit 1978, mode voor de moslima, dat alleen zwartwitte tekeningen bevat van mantels tot op de enkel, strakke hoofddoeken en naaipatronen. Het gebruikte papier is vergeeld, verdroogd en verzuurd, maar de gezichtsloze vrouwen staan er nog goed op. Helaas kan ik van alle teksten in het modeboek alleen deze ontcijferen: Spor Manto is sportmantel. Rest de vraag waarom deze werken, die al oud waren toen ik ze vond, tien kilometer buiten Dalyan door Özlem Ipek zijn weggesmeten. Uit woede en weerzin om iets dat tijdens haar schooljeugd is gebeurd en jaren later naar boven is geborreld? Of heeft een dief pas in het bos ontdekt dat zijn buit bestond uit waardeloos, oud papier? Naaipatronen, kaartjes van het Ottomaanse Rijk en een big met een troffel vol cement: çöp!

14. Nadir

Farce

‘Betrekkingswaan is een psychopathologische toestand waarbij een reeks van meestal gewone en alledaagse feiten en gebeurtenissen zo wordt geïnterpreteerd alsof ze specifiek op de eigen persoon is gericht.’ [https://nl.wikipedia.org/wiki/Betrekkingswaan]

In mijn keuken hangt een cv-ketel van het merk Atag, type Blauwe Engel II. Er zit in dit moderne apparaat een venster waarop in rode, digitale letters wordt aangegeven hoe de ketel zich voelt. Als hij naar behoren is bijgevuld, zegt hij bijvoorbeeld: ‘Good‘. Onder het koken, wachtend op het garen van de spruitjes, kijk ik met enige opluchting naar dat welwillende oordeel. Alles is goed. Niet zozeer de verwarmingscapaciteit, maar mijn geestesgesteldheid, die belangijker is. (Over de symbolische betekenis van de blauwe engel heb ik het een andere keer…)

Mij afvragen waarom Klein Dresden nu al twee keer op teevee is geweest, hoort bij deze kijk op de wereld. Hebben de dingen een betekenis of is alles toeval? Je krijgt daarop geen antwoord zonder betrekkingswaan, die ik liever een spirituele toestand zou willen noemen, aangezien het gaat om een vorm van zingeving. Overigens: kun je een anonieme psychiater van Wikipedia wel serieus nemen? Op 9 maart 2018 schreef Arnon Grunberg in de Volkskrant: “Het bestaan, dat wil zeggen het toeval, is een farce. Om boven de farce uit te stijgen, moet het bestaan eerst als farce worden erkend.” De toevalligheden van het leven zijn losse draden waarmee je onwillekeurig iets weeft dat samenhang suggereert. Die samenhang is weliswaar subjectief, een eenpersoonswaarheid, maar misschien genoeg om een stukje boven de farce uit te stijgen. György Konrád zei: “Het beeld van de wereld is van mij, niet van de wereld.” Het komt er op aan dat wij ons een beeld vormen.


Verhuiskaart ‘Klein Dresden’:
Gothisch pathos tegen onheilszwangere lucht.

15. Geestesoog

Niet alle boeken die me ‘grepen’ komen uit de mediterrane wereld. Op mijn twintigste, kort na het overlijden van Vladimir Nabokov, las ik ‘Lolita’ en begreep plotseling waar literatuur echt over gaat: over stijl. Ik ben daarna alles van Nabokov gaan lezen en stuitte op steeds weer andere edities van ‘Lolita’, die ik niet kon laten liggen. Als mensen op reis gingen naar verre landen, vroeg ik of ze een ‘Lolita’ wilden kopen, indien voorradig. Nu kun je via internet alles met een klik aanschaffen. Niks aan. In Japan, Tsjechië, Portugal en Rusland heb ik zelf exemplaren kunnen bemachtigen.

Het tijdschrift Vice interviewde mij in juni 2016 over mijn Lolita-verzameling in het kader van het Beeldjagers-project van het inmiddels overleden Museum of the Image in Breda.

De eerste vraag luidde: wat fascineert je aan deze covers?

Ik ben bepaald niet de enige die erdoor gefascineerd is, antwoordde ik. Paul Maliszewski publiceerde het boekje ‘Paperback Nabokov’, Marianne Sinclair schreef ‘Hollywood Lolita’s – The Nymphet Syndrome in the Movies’, de Duitser Dieter E. Zimmer verzamelt op ‘Covering Lolita’ (met een beetje hulp van mij) omslagen uit de hele wereld en John Bertram & Yuri Leving zijn samenstellers van ‘Lolita – The Story of a covergirl’. In 2003, toen het 50-jarig jubileum van de nimfijn werd gevierd, schreef ik een uitgebreid stuk over Lolita-vormgeving voor het tijdschrift ‘Items’. Daarin stond onder meer: ‘Filmmaker Stanley Kubrick bewerkte Lolita in 1962, op basis van een scenario dat Nabokov zelf schreef, en de actrice Sue Lyon debuteerde op 15-jarige leeftijd in de titelrol. Zij mocht de première In Los Angeles niet bijwonen, omdat de film X-rated was. Dat doet denken aan de grap van Groucho Marx, die zei dat hij de film pas zou gaan zien als Lolita de meerderjarige leeftijd had bereikt! Intussen bepaalde Sue Lyon met haar hartjesvormige zonnebril, zuigend aan een rode lolly, voor jaren de Lolita-iconografie.’

Lolita is een jong tienermeisje dat op reis door Amerika wordt genomen door een veertiger (Humbert Humbert) die zich aan haar vergrijpt. Als boek was ‘Lolita’ een succès de scandale, en vroege edities benadrukken vooral de ranzige kant. De Nederlandse editie van Omega Boek (21ste druk!) toont een pornografische foto van een meisje in lingerie dat nylonkousen aantrekt. Er staat als onderkop bij: ‘Door begeerte gedreven’. Op moderne uitgaven zie je vaak typografische grapjes met de naam van de hoofdrolspeelster (‘Lo. Li. Ta.’) of discrete verwijzingen naar de inhoud, met bijvoorbeeld een tekening van meisjesbenen in tennisschoenen met witte sokjes. Beetje fifties, maar wel suggestief.

Elke uitgever kiest een andere ‘oplossing’. Sommige covers, vooral de oudere, bevatten pornografische suggesties om lezers te lokken, andere zijn subtieler, wat nog niet wil zeggen dat ze ondubbelzinnig zijn. De Italiaanse versie toont bijvoorbeeld een 19e eeuws naaktschilderij van Jean-Jacques Henner, waarop een meisje met lang rood haar fluit speelt. Het heet ‘Ēclogue’ oftewel herdersdicht: een romantisering van een situatie die allerminst romantisch is, want Lolita wordt ontvoerd en misbruikt. Door de verwijzing naar de klassieke oudheid wordt die situatie dus lieftalliger voorgesteld dan hij is, al kun je de fluit ook Freudiaans duiden (iets waar Nabokov zelf een grondige hekel aan had). Op de Tsjechische en Japanse omslagen wordt het beeld van ‘het meisje’ gemystificeerd met bloemetjes en lichteffecten, wat misleidend en nogal vrijblijvend is. De hardnekkige nadruk op het meisjesthema doet de roman geen recht, want ‘Lolita’ gaat voor een belangrijk deel ook over Amerika en de populaire cultuur. Daarom is de Hebreeuwse editie misschien wel de beste: daarop is tegen een achtergrond van Coca Cola-flesjes een mager, naakt meisje afgebeeld, met de suggestie dat dit naakt een consumptie-artikel is, een lustobject dus.

Ik heb 130 werken van en over Nabokov, inclusief 34 Lolita-titels, dvd’s met de Lolita-films van (prachtig) Stanley Kubrick en (vreselijk) Adrian Lyne, een Lolita-aquarel van Eric Wielaert en een Lolita-kunstwerk van Erik Fens. Afgelopen week zag ik in hebbedingenwinkel ‘Nieuws’ aan de Prinsengracht in Amsterdam een woordloze Lolita-dummy liggen voor € 22,50; ik vond hem te duur, maar de kans is groot dat ik ‘m alsnog ga kopen… En oja, ik zoek nog een uitgever voor de Nabokov-glossy (The Shiny Vladimir of McNab’s Mag).

www.beeldjagers.org/collectie/lolita/


Mijn Gallimard-editie uit 1959.

16. Het slapeloze dier

Duet voor trombones: snurkende ouders. Mijn onvermogen om in slaap te vallen begon toen ik op de middelbare school zat en elke avond getrakteerd werd op het geronk van mijn vader en moeder, die op dezelfde verdieping sliepen als ik. Ze gingen later naar bed, maar arriveerden vóór mij in dromenland. Omdat hun schuiftrompetten niet synchroon werkten, zocht ik onwillekeurig naar patronen. Hoeveel tijd heeft de ene snurk nodig om de andere in te halen? En hoelang gaan ze gelijk op totdat een van beide snurken er weer vandoor gaat? Ik was hierin getraind, want als kind maakte ik eenzelfde soort jacht op de syncopen en spaarzame unisono’s van de nabije kerkklokken. Luisteren kan de slapeloze namelijk prima, omdat er weinig is te zien. Niet niets: verduisterende gordijnen zijn aan mij niet besteed en schijnsels blijven welkom. “De grenzen die het Leven scheiden van de Dood zijn hoogstens schimmig en vaag,” schrijft Edgar Allan Poe in ‘De voortijdige begrafenis’. En waarom zou je die begrenzing obscuurder maken dan nodig is? “Je lijkt wel een lijk,” zei Kale Hans, de boezemvriend uit mijn tienerjaren, toen wij een appartement deelden in het dorp Girkhausen en hij mij in bed zag liggen, ruggelings, de benen gestrekt, de handen gevouwen op de borst. Ja, waarom zou je?

Als jongetje logeerde ik wel eens bij oom Paul en tante Julia boven hun sigarenwinkel aan de Zijlweg in Haarlem, waar de koplampen van voorbijrijdende auto’s halve cirkels over het plafond schreven. Ik vond dat zeer geruststellend. Licht is leven, beweging is leven. In mijn slaapkamer thuis zag ik zulke dingen niet, daar was de duisternis tamelijk massief. Maar ik hoorde het verkeer wel, in verschillende toonaarden: de karakteristieke wankelmotor van een Kever, het dieselgeluid van de taxi waar een betalende passagier uit stapt (mijn vader) en lijn 5 van de Noord-Zuidhollandse  Vervoersmaatschappij, die een halte voor ons huis had. In de kelder diep onder mij zat in een van de muren een scheur door het schudden van de bus. Na twaalven was het met lawaai wel gedaan, maar er passeerde soms een brommer die je kon volgen over de Wagenweg langs de Haarlemmerhout en verder, naar de Heemsteedse Dreef, helemaal tot Bennebroek, Hillegom, Lisse, ijler, steeds ijler, keep dreamin’…

Je kunt vechten tegen de slaap, maar je kunt niet vechten tegen het wakker zijn. Integendeel, je moet zo snel mogelijk capituleren, zwaaien met de witte vlag van je bewustzijn. Geef je over! Dat lukt mij helaas pas als ik ophoud met denken in taal, als ik de stop trek uit de woordenstroom in mijn hoofd en ik het innerlijke gewauwel vervang door beelden; beelden die uiteindelijk, op een mysterieus en nooit betrapt moment, dromen werden.

De Roemeense filosoof Emil Cioran kon zijn leven lang niet slapen. Op zijn 23ste publiceerde hij daarover al een wanhopig essay onder de titel Man, the Insomniac Animal, waarin echter ook deze zin staat: “What strangely enchanted tunes gush forth during those sleepless nights!” Vreemde en betoverende klanken ontspringen aan die slapeloze nachten. Een favoriete van mijzelf is die van de vroegste ochtendtrein in de winter, knapperend over bevroren rails, je kunt de ijsnaalden horen breken. Troostrijk is het hoog in de hemel zoemende vliegtuig, een diepe, golvende, vibrerende bastoon die de eenzaamheid van het waken voor enkele minuten verzacht; pas als de allerlaatste trilling je trommelvlies heeft verlaten, keert de doodse stilte terug. Hoewel… Vlakbij mijn huis is een vijver waar eenden en meerkoeten het hele jaar door ruziën met nachtelijk gesnater, gekwaak om niks, burengerucht in het riet. En dan is er nog het geheimzinnige want onherleidbare kraken en stommelen daar ergens in het gebint. Ik slaap, of probeer te slapen, op de hoogste verdieping, en boven mijn plafond zit het dak. In de meter daartussen gebeurt van alles, maar wat precies…? Relmuizen, heb ik een tijdje gedacht, zevenslapers dus, notoire herrieschoppers (“Ook op zolders komen ze voor, waar ze luidruchtig en hardnekkig zijn en moeilijk te verdelgen”), maar boven België schijnen die niet te bestaan. Tocht, zou eventueel kunnen. Werkend hout is weerspannig, het krimpen of uitzetten van dakspanten kan gepaard gaan met keiharde knallen die je met bonkend hart overeind doen schieten. Eerlijk gezegd overtuigen deze rationaliseringen mij amper, want ik kan niet uitsluiten dat het er gewoon spookt, dat de voetstappen die ik meen te horen toebehoren aan nightdwellers en klopgeesten. Bewoog het gordijn? Zuchtte iets tegen mijn hand? En die vreselijke geur, zijn dat graflelies? Ik heb inmiddels geleerd mijn fantasie uit te schakelen op momenten dat alleen de rusteloze aanwezigheid van ondoden een plausibele verklaring voor het rumoer lijkt. Ze bespelen mijn verbeelding, maar ik geef niet thuis.

Dingen die er niet zijn en die ons toch volledig in beslag nemen. Ik lag ooit met twee vrienden wild te kamperen in een tentje in het Zwarte Woud. Vlakbij was een beek die kabbelde en babbelde. Mijn vrienden sliepen, de cognac en sigaren hadden hun werk gedaan. Maar ik was wakker en hoorde in het onophoudelijk kletsende water een sluipmoordenaar met kaplaarzen lopen, zijn mes en duistere plannen in de aanslag. Hij bleef dichter- en dichterbij komen, en ik bleef ingespannen luisteren. Links en rechts van mij de stomme voeten van mijn vrienden, omdat we om en om lagen. Ik daartussen, in mijn slaapzak, de oren gespitst: stond het monster op het punt mij te grazen te nemen? “Bereid zijn is alles,” zei Hamlet, schertsfiguur bij uitstek.


Hamlet